Valkenburgse Erfopvolgingstrijd

Gepubliceerd op:

Valkenburg, 10-04-2008

De Valkenburgse Erfopvolgingstrijd (1352-1378)

Nadat Jan op 9 augustus 1352 als laatste heer van Valkenburg-Montjoie stierf, gaat zijn erfenis over op zijn 5 zusters Philippa, Maria, Beatrix, Margaretha en Elisabeth. Hoewel de rechtstreekse mannelijke lijn met Jan uitgestorven was, maakten andere mannelijke leden van het Huis Valkenburg aanspraak op de erfenis. Op de eerste plaats was daar Jan van Valkenburg heer van Born, zoon van Walram de Rosse, broer van Reinoud en oom van Jan de laatste heer van Valkenburg-Montjoie. Op de tweede plaats maakte Walram graaf von Sponheim als zoon van Elisabeth van Valkenburg aanspraak. Elisabeth was getrouwd met Simon graaf von Sponheim en was een dochter van Walram de Rosse, zuster van Reinoud en dat maakte Walram von Sponheim tot een neef van Jan de laatste heer van Valkenburg-Montjoie. Jan van Valkenburg, heer van Born, claimde dat Valkenburg een rijksleen was en dat een rijksleen niet in vrouwelijke handen kon overgaan. Deze claim kon de heer van Born echter niet hard maken, daar de keizer Philippa, de oudste zuster van de gestorven Jan van Valkenburg-Montjoie, tussen augustus en oktober 1352 beleende met Valkenburg. Deze Philippa huwde op 10 oktober 1352 Hendrik van Vlaanderen, heer van Ninhoven en Ressen in de Overbetuwe. Daar Jan van Valkenburg-Montjoie zijn bezittingen niet schuldenvrij had achtergelaten, leende Hendrik van Vlaanderen, als man van Philippa 21000 gouden schilden van Reinoud van Schönau. Op 1 mei 1353 verkocht Margareta van Valkenburg, vrouwe von Schönecken, “haar” deel van de “burch ind stat zu Valkenburch” waarop ze meende recht te hebben, voor 11000 gouden oude schilden aan Hendrik van Vlaanderen en Philippa van Valkenburg. Hendrik stelde daarop op 24 november 1353 Reinard von Schönau aan tot momber (voogd) over Valkenburg, Euskirchen, Bütgenbach, Sankt Vith en Heerlen, totdat de terugbetaling van het door Hendrik geleende bedrag zou zijn geschied. Op 11 maart 1354 beleende de Hertog van Brabant, Reinoud von Schönau met de Limburgse lenen: Montjoie, Bütgenbach, de hof te Rüdesheim, het huis Berg, de hof Boslar, de stad Sittard, de tol te Heister onder Gulpen, met de hof Eijsden met ¼ van Heerlen, met de helft van Mechelen en met de tol te Linne. Op 20 april 1354 verklaren Hendrik en Philippa dat zij hun aandeel in de heerlijkheden Montjoie en Valkenburg aan Reinoud van Schönvorst verkocht hebben. Zij verpanden hem eveneens de rechten op Montjoie die zij van Margareta hadden overgekocht, doch behielden de gekochte rechten op Valkenburg. Reinoud von Schönau werd vervolgens op 18 april 1354 door de keizer met Valkenburg beleend. Zowel Dirk van Bredero, heer van Gennep en de echtgenoot van Beatrix van Valkenburg († 28 december 1353), alsook Walram van Valkenburg, zoon van Jan van Valkenburg heer van Born tekenen formeel protest aan tegen deze verkoop. Elisa van Valkenburg de vijfde zuster, die kloostervrouwe te Reichenstein bij Montjoie was, kon dit “verlies” van de voorvaderlijke bezittingen niet verkroppen en werd zinneloos. Zie liet zich naar Kasteel Valkenburg brengen, waar ze haar intrek nam. Ze was in de veronderstelling dat ze “vrouwe van Valkenburg” was en uit medelijden liet men haar in die waan tot aan haar dood in 1359. Deze Elisa staat ook bekend als de “Joffer zonder kop”, hetgeen verwijst naar haar zinneloosheid, naar het Duitse gezegde: “Sie hatte den Kopf verloren”. Terug naar de erfopvolgingstrijd. In 1355 verkocht Reinoud von Schönau zijn rechten aan Willem van Gülick die op de burcht Nideggen woonde en die op 25 december 1356 door de keizer met Valkenburg beleend werd en waarbij Valkenburg tot graafschap werd verheven. Jan van Valkenburg, heer van Born, stierf op 3 maart 1356 en diens zoon Walram van Valkenburg, heer van Born, gesteund door Walram von Sponheim, is het geheel niet eens met de gang van zaken, verzet zich met de wapens tegen de Hertog van Gülick. Formeel wordt er in 1357 een wapenstilstand tussen beide partijen gesloten, doch de vijandelijkheden schijnen voortgeduurd te hebben, daar Keizer Karel IV op 3 april 1359 aan Wencelaus, hertog van Brabant en aan Dirk graaf van Loon opdracht verstrekte de vrede te herstellen. Op 4 april 1359 bevestigd Keizer Karel de Hertog van Gülick in het bezit van Valkenburg en Montjoie. Walram gaf echter aan dat Valkenburg niet verkocht had kunnen worden door Philippa, daar het een rijksleen was, dat niet in vrouwelijke hand had mogen overgaan. De strijd bleef voortgaan en zowel Philippa alsook Walram hielden vast aan hun rechten. Daarop deed op 22 december 1362 Keizer Karel IV uitspraak in de kwestie en bepaalde dat Philippa haar rechten en vorderingen op Valkenburg zou afstaan aan Walram en deze zou Philippa daarvoor een lijfrente van 600 oude schilden per jaar moeten betalen, nevens 400 oude schilden in 1x te betalen en nevens 500 oude schilden verschuldigd aan Catharina van Spaubeek.Tot een overgave van de rechten en betaling is het niet gekomen, waarop Philippa haar rechten op Valkenburg op 4 maart 1364 tegen een betaling van een lijfrente van 1200 oude schilden en 1500 mottoenen aan Hertog Wenceslaus van Brabant verkocht. Op 11 mei 1364 verkreeg de Brabantse Hertog ook de rechten op Valkenburg van Maria van Valkenburg, abdis van Sint Aldegonde te Maubeuge en via Dirk van Brederode ook de rechten van Beatrix van Valkenburg. Op 8 november 1364 verkrijgt Wenceslaus van de Hertog van Gülick stad en kasteel Valkenburg, Oud-Valkenburg, Houthem-Sint Gerlach en Eijsden in pand. Walram van Valkenburg, heer van Born blijft hardnekkig op zijn rechten staan en een samenkomst in 1365 te Maastricht tussen hem en Wenceslaus mocht niet baten. Het geschil werd voorgelegd aan de Landvredebond tussen Maas en Rijn en deze bepaalde op 19 juli 1365 dat Walram Wenceslaus in zijn bezit moest laten en alle onterecht geheven belastingen moest terugbetalen. Door de verkoop aan Wenceslaus van de rechten op Heerlen op 7 december 1378 door Jan van Broekhuizen, heer van Wickrath, kwam op die datum het gehele Land van Valkenburg in het bezit van Brabant-Luxemburg. Meer over die lotgevallen van Valkenburg in een volgende artikel van de Stichting Vestingsstad Valkenburg.

Auteur: Marc Habets

Bronnen : J.M. van de Venne, Geschiedenis van het kasteel van Valkenburg, zijn heren en hun drossaarden, 1951

Archieven van de Landen van Overmaas, Rijksarchief Limburg, 2004

S. Corsten, Die Herren von Valkenburg, 1981, Th. Dorren, Het Kasteel van Valkenburg, 1921