Walram en het bezit van Monschau-Bütgenbach Deel II

Gepubliceerd op:

Valkenburg, 30-07-2007

De Heren van Valkenburg

Hoe Walram van Valkenburg in het bezit van Montjoie-Bütgenbach kwam 1269/1270 Deel II

We zagen in Deel I van dit artikel dat de nog jonge Walram van Valkenburg, danig onder druk werd gezet door de graaf van Luxemburg om zijn bezittingen Marville en Arrancy van de hand te doen. De Hertog van Limburg, die er belang bij had zijn eigendommen in het Limburgs/Luxemburgse grensgebied veilig te stellen, stelde Walram echter de Limburgse lenen, Monschau en Bütgenbach in het vooruitzicht. Tegen die achtergrond starten op 15 mei 1269 de onderhandelingen en als eerste stap verpacht Walram van Valkenburg de heerlijkheden Marville en Arrancy voor 20.000 Pond Turnosen aan de graaf van Luxemburg. Op 17 mei is uit de verpachting al een verkoop tegen 30.000 Pond Turnosen geworden (stap 2), waarbij Walram nog het recht op terugkoop heeft. Op 20 mei 1269 is er al sprake van verkoop met terugkooprecht voor 20.000 Pond Turnosen (stap 3). Walram schijnt hiermee uiteindelijk echter niet meer akkoord te zijn gegaan, hetgeen blijkt uit de definitive akte van 1 april 1270 waarin de verkoop uiteindelijk voor 25.000 Pond Turnosen heeft plaatsgevonden. In de oorkonde van 22 mei 1269, vraagt Walram dan ook om garanties voor naleving van de gemaakte afspraken. In een aparte akte verplicht de Hertog van Limburg zich, de gemaakte afspraken met Walram van Valkenburg inzake de “Limburgse lenen” Monschau en Bütgenbach na te komen en daartoe als “borg” de Limburgse burcht Arlon in te zetten, die onder Luxemburgs bereik ligt. Van een vroegere belening van Walram IV van Limburg aan Jutta van Ravensberg is nergens sprake. Om er verder zorg voor te dragen dat ook eventuele “buren en verwanten” geen aanspraken zouden doen gelden, informeerden de graaf van Luxemburg en Walram van Valkenburg hen allen in over de gesloten overeenkomsten (o.a. graaf Wilhelm IV van Gülick, graaf Adolf VIII van Berg en Theoderik II van Heinsberg). Hiermee wilde men nadrukkelijk aangeven, dat men zich vooral niet met de gesloten “handel” diende te bemoeien. Een voorlopig eindpunt was in juni 1269 bereikt, toen Walram van Valkenburg-Monschau zich tegenover Hendrik graaf van Luxemburg verplichte de burchten en heerlijkheden Monschau en Bütgenbach niet te verkopen, te verpachten of anderzijds in waarde te doen verminderen. Een laatste bewijs van de “rechtmatigheid” van de “handel”wordt in een franstalige akte van 24 maart 1270 geleverd. Walram geeft in deze akte aan, dat hij vanwege de nu bereikte “meerderjarigheid”, hij de oorkonden over de in 1269 gemaakte afspraken aan graaf Hendrik zal doen toekomen en geen verder gebruik zal maken van het recht op ondersteuning. Walram had de oorkonden dus als “onderpand” gehouden, voor het geval iemand hem op zijn “minderjarigheid” en daarmee zijn “handelings-bevoegdheid” zou aanspreken. Met de teruggave van de oorkonden geeft Walram naar Luxemburg toe aan geen gebruik te zullen maken van de eventuele terugkooprechten op Marville en Arrancy. Op 1april 1270, zo zagen wereeds, werd de daadwerkelijke verkoopakte ondertekend waarmee stap 4. werd gezet en de zaak kon worden afgerond. Uit een akte van 8 april 1270 blijkt dat op die datum reeds 13000 Pond Turnosen aan Walram was overgedragen en de graaf van Luxemburg nog een schuld aan Walram had van 12000 Pond Turnosen. In dat kader is het wellicht nog aardig om te vermelden dat St. Vith als Luxemburgs leen wordt verkocht aan Walram van Valkenburg-Montschau. Wat gebeurde er met Jutta von Ravensberg ?! Tegen de verenigde macht van Luxemburg, Limburg en Valkenburg kon de weduwe nagenoeg niets inbrengen. Rond 1280 schijnt Walrams tante Jutta von Ravensberg dan ook naar haar familie in Tecklenburg (Westfalen) te zijn getrokken. Aan haar aanspraken op Monschau heeft ze haar hele leven vastgehouden. Zelfs ruim 20 jaar na dato, zet Jutta haar familie in om via de koning haar “gelijk” te verkrijgen. Uit een oorkonde van Koning Adolf von Nassau gedateerd 25 augustus 1292 blijkt, Walram II van Limburg-Monschau aan zijn vrouw Jutta von Ravensberg, de heerlijkheid Monschau met alle inkomsten verpacht had, omdat Walram II 6000 Mark Munsterse Pfenningen uit haar bruidsschat niet in goederen had belegd, maar als schuldvereffening aan derden had gebruikt. Naar in de oorkonde genoemd staat, geeft Jutta hierin aan dat Hertog Walram IV van Limburg haar met de heerlijkheid Monschau beleend zou hebben, hetgeen ze ook zou kunnen bewijzen?! Deze oorkonden/bewijzen zijn helaas niet gevonden en van enige actie door de koning is eveneens geen sprake geweest. De Hertog van Limburg beleende de jonge Walram van Valkenburg dus met Monschau en Bütgenbach. Walram van Valkenburg-Monschau stierf op 5 september 1302, nadat hij op 1 augustus 1302 in het bijzijn van zijn zonen Dirk en Reinoud nog stadsrechten had verleend aan Euskirchen (D), dat ook tot het “Land van Valkenburg” behoorde. Walrams tante Jutta, “voormalige Vrouwe van Monschau”, zoals ze zich bleef noemen, stierf eveneens dat jaar en wel op 18 augustus 1302. Over de volgende Valkenburgse heren Dirk III en Reinoud, leest u in het volgende artikel van de Stichting Vestingstad Valkenburg.

Auteur: Marc Habets

Bronnen : Annalen de Historischen Vereins für den Niederrhein: der Übergang der Herrschaft Monschau an die Herren von

Valkenburg, Dr. Elmar Neuss, 1997, Genealogische Datenbank des Mittelalters, 2007