Valkenburg, 27-02-2009
Het kasteel van Valkenburg en de stadsbrand van 1773
Met het opblazen van de cruciale verdedigingspunten van het kasteel van Valkenburg, hield Valkenburg op 10 december 1672 formeel op als vestingstad te bestaan. Na 7 eeuwen van dominantie kon de Valkenburcht niet langer als “springplank” worden gebruikt om de vesting Maastricht in te nemen en daarmee was Valkenburg niet langer van strategisch belang. Zoals reeds in ons vorige artikel aangegeven is het zeker, dat na de “ontmanteling” van 1672 veel meer van het kasteel is blijven staan dan de ruïne die we nu kunnen aanschouwen. Zo wordt er in 1682 door de drossaard van het Land van Valkenburg een proces gevoerd tegen een aantal inwoners van Valkenburg, die de overgebleven poorten van het kasteel hadden afgebroken en de materialen (stenen, balken en ijzerwerk) hadden verkocht. Ook in de jaren die zouden volgen had het kasteel veel te lijden onder vandalisme en schroomden de inwoners van Valkenburg niet om er in ruime mate bruikbaar bouwmateriaal te plunderen. Soms uit “winstbejag”, echter soms ook uit “noodzaak” zoals zal blijken uit het volgende relaas. We schrijven het jaar 1773. De Bokkenrijdersbenden maken het Land van Valkenburg, dat vrijwel geheel Zuid-Limburg besloeg, onveilig en de Mr. J.G. Fayon, Luitenant-Drossaard van het Land van Valkenburg vervolgt ze dat jaar met harde hand. Een viertal Bokkenrijders zit reeds gevangen in de houten cachotten achter het landshuis van Valkenburg (oude stadhuis in de grote straat), doch weet te ontsnappen. Het is aan dit viertal, waaraan een van de grootste stadsbranden in de geschiedenis van Valkenburg, wordt toegeschreven. In de “Cronijk van Opcanne 1740-1778” staat het als volgt beschreven: “Den 27 april is het grootste gedeelte van het steedje Valkenburgh bij Maestricht afgebrandt. In een groot quartier uur tijds zijn 25 huysen met al wat daerin was in de assche gelegd; daer zijn twee menschen omgekomen en verscheyde door de vlammen beschadight en geschroeyt; de droevige toestand was onbeschrijvelijck. So haest die tijding in Maestricht quam, wiert er een detachement cavalerie en een van d’infanterij, beneffens een brandspuyt nae toegesonden. De oorzaeke van desen schrickelijcken brandt wordt toegeschreven datter eenige crimineele aldaer tot Valckenburgh gevangen saeten, die overtuygd waren van dieverije ende dat eenige van hunne medeplichtigen dien brandt souden gesticht hebben”. Uit het request, dat luitenant-drossaard J.G. Fayon in 1773 tot de Staten-Generaal in Den Haag richt, blijkt dat het inderdaad een zeer zware brand is geweest, die “slechts”als afleiding was gedacht om de gevangen Bokkenrijders te kunnen bevrijden, hetgeen blijkbaar ook lukte. Een brand die in totaal 32 huizen incl. stallen, schuren en meubilair in de as heeft gelegd. Daar het merendeel van de huizen in die tijd uit hout en leem bestonden en veelal van strodaken waren voorzien, behoeft het geen uitleg dat het vuur in zo korte tijd, zo veel huizen in de as kon leggen. Bovendien waren er naast het materiële leed, 2 doden te betreuren. Uit het sterfregister valt te herleiden wie dit waren. Toenmalig pastoor Petrus Vlecken tekent hierin de namen van Matthias Dorren en de weduwe Odilia Ubaghs op. Hoe verschrikkelijk deze stadsbrand voor Valkenburg is geweest, moge ook blijken uit het feit dat in 1778 (5 jaar na de brand) er nog steeds mensen dakloos waren. Een gevelsteen boven het pand Muntstraat 7 herinnert aan deze brand. De gevelsteen heeft een latijnse inscriptie te weten: ‘Combusto Phoenice Den Uo Alter Exurget’. Vrij vertaald betekent dit: “Wanneer de Phoenix tot as is verbrand, zal er opnieuw een andere verrijzen”. De gevolgen van deze brand konden dan ook niet uitblijven. Brandverzekeringen waren er in die tijd niet en geld hadden de meeste gedupeerden niet. Derhalve werd naarstig naar “gratis” bouwmateriaal gezocht. Bouwmateriaal dat in ruime mate voorhanden was op het “oud kasteel” zoals de voormalige burcht genoemd werd. De grote bijna 30 meter (100 voet) lange noordmuur van het bergkasteel, die de wapenkamer afsloot werd in zijn geheel afgedragen en ook de overige muren van het kasteel werden omver gehaald, gewelven werden ingeslagen en hardstenen raamomlijstingen werden uitgebroken. Kortom wat van het eens zo trotse kasteel nog resteerde, werd gebruikt voor de opbouw van Valkenburg onder aan de berg. Gezien de bittere armoede en ellende in die tijd absoluut te begrijpen, kijkend met de ogen van onze tijd echter “eeuwig jammer”. Aan deze “vrije” sloop kwam vooralsnog een eind toen op 5 augustus 1798 de Fransen onder Napoleon, de kasteelberg met de ruïne als domeingoed verkochten aan graaf Maximiliaan van Hoen te Neufchateau. Door erfenis kwam het vervolgens in bezit van de familie de Villers-Masbourg, die de kasteelberg in 1863 liet omheinen ter voorkoming van verder vandalisme aan en verval van dit belangrijke historische cultuurgoed. Op 27 december 1919 worden de bezittingen op de Heunsberg overgedragen aan de Katacomben-Stichting te Valkenburg voor de prijs van 18200 Gulden. Inmiddels is de ruïne in het bezit van de Stichting Kasteel van Valkenburg en deze tracht met al haar ten dienste staande middelen te consolideren en te verbeteren wat er nog is.
Auteur: Marc HabetsBronnen : J.M. van de Venne, Geschiedenis van het kasteel van Valkenburg, zijn heren en hun drossaarden, 1951
Th. Dorren, Het Kasteel van Valkenburg: zijne beknopte geschiedenis: sagen en legenden, 1921
Uit Valkenburgs verleden, A. Welters, 1968
Foto: Gevelsteen Muntstraat 7, Marc Habets, 2009